Infrarood (IR) is het deel van het EMS tussen de radiogolven en het zichtbare licht: van 300 GHz tot ~394 THz, ofwel golflengtes van 1 mm tot 760 nm. Voor het oog onzichtbaar, maar voelbaar als warmte — en voor sensoren een goudmijn.
De natuurkundige basis is gelegd in § 2.1.5: elk object boven het absolute nulpunt zendt IR-straling uit, en hoe heter het object, hoe meer straling en hoe korter de piekgolflengte. Een sluipschutter in de nacht, een tank onder een camouflagenet, een straaljager op 20 km — allemaal stralen ze hun eigen warmte uit, ongevraagd en continu. Een IR-sensor hoeft alleen maar te kijken.
Dat maakt IR tot de belangrijkste passieve sensorfamilie van het slagveld: warmtebeeldkijkers, FLIR-camera's in targeting pods, IRST-systemen op jachtvliegtuigen en fregatten, en de zoekkoppen van talloze hittezoekende raketten — van MANPADS tot moderne lucht-luchtraketten.
Twee natuurkundige wetten zijn het onthouden waard: