EMS Leeromgeving · Inhoud · Hoofdstuk 6 · §6.1 · English version

§6.1 Inleiding

Open §6.1 in de academy

Infrarood (IR) is het deel van het EMS tussen de radiogolven en het zichtbare licht: van 300 GHz tot ~394 THz, ofwel golflengtes van 1 mm tot 760 nm. Voor het oog onzichtbaar, maar voelbaar als warmte — en voor sensoren een goudmijn.

De natuurkundige basis is gelegd in § 2.1.5: elk object boven het absolute nulpunt zendt IR-straling uit, en hoe heter het object, hoe meer straling en hoe korter de piekgolflengte. Een sluipschutter in de nacht, een tank onder een camouflagenet, een straaljager op 20 km — allemaal stralen ze hun eigen warmte uit, ongevraagd en continu. Een IR-sensor hoeft alleen maar te kijken.

Warmtebeeld (FLIR) van een persoon: warme lichaamsdelen lichten fel op, koelere omgeving blijft donker.
Een warmtebeeld (FLIR) van een persoon: hoe warmer, hoe feller. Elk object boven het absolute nulpunt verraadt zo zijn eigen warmte aan een passieve IR-sensor. Beeld: Emilian Robert Vicol / Wikimedia Commons — CC0.

Dat maakt IR tot de belangrijkste passieve sensorfamilie van het slagveld: warmtebeeldkijkers, FLIR-camera's in targeting pods, IRST-systemen op jachtvliegtuigen en fregatten, en de zoekkoppen van talloze hittezoekende raketten — van MANPADS tot moderne lucht-luchtraketten.

Twee natuurkundige wetten zijn het onthouden waard:

Wet van Wien: λpiek ≈ 2898 / T λpiek in µm, T in kelvin — hoe heter, hoe korter de piekgolflengte mens (310 K) → piek ~9,3 µm · uitlaatpluim (900 K) → piek ~3,2 µm
Wet van Stefan-Boltzmann: uitgestraald vermogen ∝ T⁴ 2× zo heet (in kelvin) = 16× zoveel straling — hete delen domineren de IR-signatuur volledig