Dit hoofdstuk vormt de technische kern van de cursus. De hoofdlijnen:
- Principe: radar zendt, het doel reflecteert, de radar meet looptijd (→ range, R = c·Δt/2), richting (→ azimuth/elevation) en dopplershift (→ radiale snelheid).
- De vijand van detectie is ruis (willekeurig, altijd aanwezig) en clutter (echte maar ongewenste echo's); de wapens ertegen zijn SNR, doppler-filtering, CFAR en integratie.
- De radarvergelijking straft afstand met 1/R⁴: bereik is duur, stealth hoeft "maar" de vierdemachtswortel te verslaan, en jammers hebben het 1/R²-voordeel.
- Pulse radar-parameters — PRF, PRI, PW, duty cycle, piek-/gemiddeld vermogen — bepalen minimum range (c·PW/2), maximum unambiguous range (c·PRI/2) en vormen samen de elektronische vingerafdruk van elke radar.
- Doppler-verwerking (MTI, pulse-doppler) scheidt bewegende doelen van stilstaande clutter; blinde snelheden worden bestreden met staggered PRI.
- CW meet alleen snelheid, FMCW ook afstand met laag, moeilijk detecteerbaar vermogen; passieve radar zendt zelf niets en leunt op omroepzenders.
- De antenne bepaalt gain, bundelvorm en side lobes — en daarmee zowel de prestaties als de kwetsbaarheden (side lobe jamming) van het systeem.
- Resolutie kent drie dimensies: hoek (∝ λ/D, verslechtert met afstand), range (∝ PW of 1/B, afstandsonafhankelijk) en snelheid (∝ 1/dwell time).
- Ambiguïteit: een meting is unambiguous als er één interpretatie mogelijk is, ambiguous als er meerdere zijn. De PRF bepaalt beide vensters — range wil een lage PRF, doppler een hoge — en de low/medium/high-PRF-regimes zijn de drie manieren om met dat conflict om te gaan.
Met deze bagage kun je elk radarsysteem dat je tegenkomt ontleden in zijn keuzes en compromissen — en begrijp je waar het kwetsbaar is. De volgende hoofdstukken behandelen de passieve tegenhangers: infrarood en zichtbaar licht, en daarna laser.