Wat achter een heuvel zit, kan een radar niet zien — net zomin als jij om een hoek kunt kijken. Wie dat terrein slim gebruikt, blijft buiten beeld.
In de praktijkGevechtshelikopters vliegen daarom nap-of-the-earth: laag door dalen en langs bosranden, en ze komen alleen kort omhoog (pop-up) om te kijken of te vuren. De verdediger doet het omgekeerde en zet radars op heuveltoppen of hoge masten.
Naast de aardkromming (§ 5.20) blokkeert ook het terrein zelf de zichtlijn. Terrain masking is het bewust gebruiken van bergen, heuvels en dalen om buiten het bereik van een vijandelijke radar te blijven. Het is een van de oudste en effectiefste tactieken tegen grondradar — en kent twee vormen.
Direct terrain masking
Het terrein staat volledig tussen radar en doel: het doel zit in de radarschaduw áchter een bergkam. Er is geen zichtlijn, dus geen detectie — ongeacht het radarvermogen. Een gevechtsvliegtuig of helikopter dat door dalen en achter ruggen vliegt ("nap-of-the-earth") maakt zich zo letterlijk onzichtbaar tot het over de kam komt.
Indirect terrain masking
Hier is er wél (gedeeltelijk) zichtlijn, maar het doel "verstopt zich in de rommel": door zeer laag boven het terrein te vliegen valt de echo van het doel samen met de sterke ground clutter van de grond eromheen (§ 5.22). De radar ontvangt wel een signaal, maar kan het doel niet onderscheiden van de terugkaatsing van heuvels, bossen en gebouwen — tenzij hij goede doppler-discriminatie heeft (§ 5.11). Het doel wordt dus niet door terrein geblokkeerd, maar gemaskeerd door de achtergrond.
Direct = geen zichtlijn (terrein blokkeert). Indirect = wel zichtlijn, maar de echo verdrinkt in grondclutter. Tegen direct masking helpt alleen hoogte (airborne radar, AWACS); tegen indirect masking helpt pulse-doppler-verwerking die bewegende doelen uit de stilstaande clutter trekt (§ 5.11).