De aarde is rond en radargolven gaan (bijna) rechtdoor. Achter de horizon kan een radar dus niets zien dat laag vliegt. Hoe hoger de radar of het doel, hoe verder hij kijkt.
In de praktijkLaagvliegende vliegtuigen en antischeepsraketten die vlak boven de golven vliegen, blijven daardoor lang onder de horizon van een scheepsradar. Daarom tillen AEW-vliegtuigen (E-3 AWACS, E-7, A-50) de radar naar zo'n 9 km hoogte: van daaruit zien ze laagvliegers op honderden kilometers.
Hoe ver een radar reikt, wordt niet alleen bepaald door zijn vermogen (§ 5.6) maar ook door de kromming van de aarde. Omdat radargolven zich vrijwel rechtlijnig voortplanten (line-of-sight, § 3.1), verdwijnt een laagvliegend doel op een gegeven afstand onder de horizon — hoeveel vermogen je ook hebt. Dit is de radarhorizon.
De atmosfeer buigt de straal een klein beetje terug naar de aarde (refractie), waardoor de radarhorizon ~15% verder ligt dan de optische. Met het standaard 4/3-aarde-model geldt bij benadering:
Reken zelf:
Dit is precies waarom aanvallers laag vliegen: een sea-skimmer kruisraket op 5 m of een terrain-following gevechtsvliegtuig blijft tot heel dichtbij onder de horizon van een grondradar, wat de reactietijd van de verdediging tot seconden terugbrengt. Tegenmaatregelen: de radar hoog plaatsen (mast, heuvel), airborne radar (AWACS kijkt van bovenaf omlaag) of over-the-horizon radar (OTH, HF-band) die via de ionosfeer juist achter de horizon kijkt (§ 5.8).