EMS Leeromgeving · Inhoud · Hoofdstuk 5 · §5.33 · English version

§5.33 Secundaire radar en IFF

Open §5.33 in de academy

Primaire en secundaire radar

Simpel gezegd

Een gewone radar ziet alleen een weerkaatsing. Een secundaire radar stelt een vraag ("wie ben jij?") en een transponder in het vliegtuig antwoordt met een code.

In de praktijk

De luchtverdediging gebruikt IFF — militair Mode 5, versleuteld — om eigen vliegtuigen niet te beschieten. Geen antwoord betekent niet automatisch vijand: de transponder kan kapot of uitgezet zijn. Identificatie blijft daarom een combinatie van IFF, vliegroute, procedures en andere sensoren.

Alles in dit hoofdstuk tot nu toe is primaire radar: de radar ontvangt een passieve reflectie van het doel. Een secundaire radar werkt anders. Hij stelt een vraag (de interrogatie), en een transponder aan boord van het vliegtuig zendt actief een antwoord terug. Militair heet dat IFF (Identification Friend or Foe); in de burgerluchtvaart SSR (secondary surveillance radar).

Omdat het antwoord actief wordt uitgezonden, hoeft het maar één kant op: het signaal neemt af met R² in plaats van R⁴ (§ 5.6). Een secundaire radar heeft dus veel minder vermogen nodig, ziet geen clutter, en krijgt informatie die een primaire radar nooit kan meten: een identiteitscode en de barometrische hoogte.

Ondervraging (uplink)Antwoord (downlink)
Frequentie1030 MHz1090 MHz
Zendergrondstation, schip of vliegtuig (interrogator)transponder in het vliegtuig

Modes, codes en side lobe suppression

Een interrogatie bestaat uit pulsen waarvan de onderlinge afstand de vraag bepaalt — de mode. Puls P1 en P3 vormen de vraag; P2 is een controlepuls.

ModeAfstand P1 – P3Vraag
Mode 13 µsmilitair: missie- of toesteltype
Mode 25 µsmilitair: individuele toestelcode
Mode 3/A8 µsidentiteitscode (militair en civiel, de "squawk")
Mode C21 µsbarometrische hoogte, in stappen van 100 ft
Mode 4 / Mode 5versleuteldmilitaire, cryptografisch beveiligde identificatie

Het antwoord is een pulstrein tussen twee framing pulses die 20,3 µs uit elkaar liggen. Daartussen liggen 12 informatieposities, die samen 4096 codes vormen (vier octale cijfers, 0000 – 7777). Een paar codes zijn wereldwijd vastgelegd: 7500 (kaping), 7600 (radiostoring) en 7700 (noodgeval).

interrogatie (1030 MHz) P1 P2 (SLS) P3 8 µs = Mode 3/A · 21 µs = Mode C antwoord (1090 MHz) F1 F2 SPI 20,3 µs — 12 codeposities
Boven: de interrogatie P1–P3 met de controlepuls P2. Onder: het antwoord tussen de framing pulses F1 en F2; welke van de 12 posities een puls bevatten, bepaalt de code.

De controlepuls P2 lost een probleem op dat je kent uit § 5.15.1: side lobes. Een transponder dicht bij de interrogator ontvangt ook via de zijlussen een sterke vraag en zou antwoorden alsof hij in de hoofdbundel staat — in de verkeerde richting. Daarom zendt de interrogator P2 via een rondstralende controle-antenne. Is P1 duidelijk sterker dan P2, dan staat de transponder in de hoofdbundel en antwoordt hij; is P2 even sterk of sterker, dan zwijgt hij. Dat heet side lobe suppression (SLS).

Fruit, garbling en Mode S

Een druk luchtruim met veel interrogators en veel transponders levert twee storingsvormen op:

Mode S (selective) lost beide op. Elk toestel krijgt een uniek 24-bits adres (ruim 16 miljoen mogelijkheden) en wordt individueel aangesproken; alleen dat toestel antwoordt. De vraag wordt digitaal gecodeerd met faseverschuiving (DPSK), het antwoord bevat 56 of 112 bits aan gegevens. Daarnaast zendt een Mode S-transponder ongevraagd squitters uit: korte berichten met zijn adres, en in de extended squitter ook positie, snelheid en roepnaam. Dat is de basis van ADS-B, waar sites als Flightradar24 op draaien.

IFF en EW

Voor de EW-specialist is IFF tegelijk een identificatiemiddel, een kwetsbaarheid en een inlichtingenbron.

Verder lezen

Radartutorial.eu werkt alle pulsformaten, Mode S-berichten en de werking van de transponder in detail uit: secundaire radar.