Fluisteren in een drukke kantine en toch verstaan worden: dat lukt als de luisteraar precies weet welke woorden hij kan verwachten. Zo haalt een GPS-ontvanger met zijn bekende code een signaal op dat zwakker is dan de ruis.
In de praktijkDiezelfde marge is ook de zwakke plek: een jammer hoeft alleen die marge te overtreffen. Daarom kan een kleine jammer op een vrachtwagen GPS in een groot gebied ontzeggen, terwijl militaire codes met een grotere marge (§ 14.4) meer jamvermogen vragen.
Begrijp je dit ene begrip, dan begrijp je zowel waarom GNSS te jammen is als hoe het zich verdedigt. Het ontvangen GNSS-signaal is zwakker dan de thermische ruis van de ontvanger zelf — typisch rond −160 dBW, zo'n 20–30 dB ónder de ruisvloer. Je "hoort" het signaal dus niet eens; toch werkt GNSS. Hoe?
Door despreading: de ontvanger vermenigvuldigt het binnenkomende signaal met een lokale kopie van de PRN-code (§ 14.4) en integreert. Het echte signaal, dat exact die code draagt, telt coherent op tot een scherpe piek; ruis en signalen zonder die code middelen weg. De winst die dit oplevert heet processing gain — precies hetzelfde principe als pulse compression en pulse integration bij radar (§ 5.10.8).
Twee gevolgen die de rest van het hoofdstuk dragen:
- De zwakte: processing gain is groot, maar eindig. Een jammer hoeft het signaal alleen maar méér dan die ~43 dB boven de ruis uit te tillen om de despreading te verzuipen. Omdat het GNSS-signaal al zo zwak is, lukt dat met verbluffend weinig vermogen (§ 14.6–14.7).
- De kracht: hoe sneller de code (P/M), hoe groter de processing gain en hoe meer jamvermogen er nodig is. Dáárom zijn de militaire codes robuuster — niet door magie, maar door bandbreedte.