Dit hoofdstuk verbond de sensortechniek met het gevechtsproces:
- De fire control sequence — detectie, identificatie, acquisitie, tracking, engagement, kill assessment — vraagt per stap meer nauwkeurigheid over minder doelen; de sensorketen volgt die logica van lage naar hoge frequenties.
- De early warning radar is gebouwd voor afstand: laagfrequent, hoog vermogen, lage PRF, lange (gecomprimeerde) pulsen, trage scan — en daardoor grof, traag en luid in het spectrum.
- De target tracking radar is zijn spiegelbeeld: hoogfrequent, smalle pencil beam, hoge PRF, star op het doel — met range-, angle- en velocity-gates als greep op het doel én als achilleshiel voor deceptie-jamming.
- De hoekvolgtechnieken evolueerden van sequential lobing en conical scan (kwetsbaar voor inverse gain jamming) naar monopulse (hoekfout uit één puls) en TWS/phased array (volgen zonder het doel te alarmeren).
- IR-tracking volgt stil en nauwkeurig, maar mist range en is weersgevoelig; sensorfusie van radar en IR/EO maakt de keten robuust tegen enkelvoudige tegenmaatregelen.
De keten eindigt bij het wapen dat naar het doel gebracht moet worden. Hoe dát werkt — de geleidingsmethoden van raketten — is het onderwerp van het laatste hoofdstuk.