In hoofdstuk 4 en 6 stuitten we steeds op hetzelfde gat: passieve EO/IR-sensoren zien haarscherp waar iets is, maar niet hoe ver. De laser dicht dat gat — en doet onderweg nog veel meer: doelen markeren voor precisiewapens, afstanden meten op de centimeter, communiceren over bundels die vrijwel niet af te luisteren zijn, en sensoren verblinden.
LASER staat voor Light Amplification by Stimulated Emission of Radiation. Het is geen apart deel van het spectrum maar een opwekkingsprincipe: de meeste militaire lasers werken in het nabij-infrarood (1,06 µm en 1,55 µm) — onzichtbaar voor het oog, goed door de atmosfeer, en gevaarlijk geconcentreerd.
Dit hoofdstuk behandelt eerst wat laserlicht fysisch bijzonder maakt, daarna het verschil tussen continue en gepulste toepassingen, en sluit af met de twee belangrijkste militaire lasersystemen: de rangefinder en de designator.