Moderne communicatie is bewust jam-bestendig ontworpen. Drie begrippen die je vaak tegenkomt — hier uitgelegd:
- DSSS (Direct-Sequence Spread Spectrum): elk databit wordt vermenigvuldigd met een veel snellere, geheime pseudo-random chipsequentie. Het signaal wordt daardoor breed en ruisachtig, met een laag vermogen per Hz — het "verdwijnt" deels onder de ruisvloer. Alleen een ontvanger die de code kent kan het weer "samenballen" (de-spreaden); een jammer moet zijn vermogen over de hele brede band uitsmeren. Dit is de techniek achter o.a. de GPS C/A-code (§14). Zie ook §16.
- FHSS (Frequency-Hopping Spread Spectrum): de zender springt volgens een pseudo-random code voortdurend tussen veel frequenties; zender en ontvanger springen synchroon mee. Een smalbandige jammer raakt maar af en toe doel (§16).
- Het voordeel heet processing gain: hoe breder je spreidt, hoe meer jammervermogen nodig is om er doorheen te komen — de directe reden dat zulke links zo lastig te storen zijn.
Daarbovenop komt de netwerkstructuur:
- Een mesh-netwerk is een netwerk waarin elk knooppunt met meerdere andere is verbonden en data van knoop naar knoop "hopt". Valt één pad weg (of wordt het gejamd), dan zoekt het verkeer automatisch een andere route. Dat maakt een mesh veerkrachtig: één knoop platleggen is niet genoeg.
- Een MANET (Mobile Ad-hoc Network) is een mesh dat zichzelf organiseert zonder vaste infrastructuur: elk toestel is tegelijk eindgebruiker én router, en knopen komen en gaan terwijl ze bewegen. Veel militaire tactische radio's en drone-zwermen werken zo. Voor COMJAM betekent dit dat je niet één zender of mast hebt om uit te schakelen — je moet meerdere knopen tegelijk raken, of de gedeelde control-/sync-functie aanvallen (§24.5).
Het antwoord op deze veerkracht is cognitive/adaptive jamming (§16): de jammer karakteriseert de link in realtime en kiest of synthetiseert de meest effectieve techniek — de enige manier om gelijke tred te houden met hoppers en mesh-netwerken.