Een satellietverbinding kun je bij de satelliet storen — dan raakt het iedereen in zijn dekkingsgebied — of vlak bij de gebruiker, en dan alleen die omgeving.
In de praktijkIn Oekraïne verstoren Russische systemen zoals de Peresvet-M de Starlink-terminals rond een object: een beschermde bel van naar verluidt zo'n 20 km² (§21.5), geen storing van het hele netwerk. Militaire satellietverbindingen gebruiken gerichte bundels en frequentiesprongen om zulke storing te weerstaan.
Het onderscheid bepaalt het effectgebied — vergelijk de geometrie van stand-off vs stand-in jamming (§15):
- Uplink-jamming: je stoort de ontvanger van de satelliet vanaf de grond. Lukt dat, dan raakt het álle gebruikers binnen de footprint van die satelliet — een breed effect. Nadeel: je hebt fors vermogen nodig om de satelliet in een verre baan te bereiken.
- Downlink-jamming: je stoort de ontvanger van de gebruiker lokaal. Veel makkelijker (de gebruiker is dichtbij), maar het effect is beperkt tot de omgeving van de jammer.
Daarnaast bestaat spoofing/meaconing: vervalste of heruitgezonden signalen — in de geest van GNSS-spoofing (§14), maar toegepast op SATCOM. En dazzling: een optische verkenningssatelliet tijdelijk verblinden met een laser (§7, §19), zodat hij even niets bruikbaars vastlegt.