Zender en ontvanger springen samen volgens een geheim patroon tussen veel frequenties. Een jammer die op één frequentie stoort, raakt maar af en toe een sprong.
In de praktijkDe SINCGARS-gevechtsradio verspringt zo'n honderd keer per seconde over de VHF-band, en de Link 16-datalink van NAVO-vliegtuigen springt tussen 51 frequenties. GPS werkt met het andere principe, DSSS: één brede, ruisachtige code die onder de ruis verdwijnt.
Er zijn twee hoofdvormen van spread spectrum:
FHSS — Frequency-Hopping Spread Spectrum
De zender springt volgens een pseudo-random code voortdurend tussen veel verschillende frequenties; zender en ontvanger springen synchroon mee. Een smalbandige jammer raakt daardoor maar af en toe doel — de meeste “hops” mist hij. Bekende voorbeelden: de militaire radio SINCGARS en, civiel, Bluetooth.
DSSS — Direct-Sequence Spread Spectrum
Elk databit wordt vermenigvuldigd met een veel snellere pseudo-random chipsequentie. Het resultaat is een breed, ruisachtig signaal met een laag spectraal vermogen — het verdwijnt als het ware onder de ruisvloer (precies het plaatje hierboven). Een voorbeeld dat je al kent: de GPS C/A-code (§ 14) is in feite DSSS, en dat is waarom een extreem zwak satellietsignaal toch werkt.
Omdat een gespreid signaal onder de ruis kan verdwijnen, is het van nature LPI/LPD (low probability of intercept/detect): de tegenstander kan het moeilijk vínden, laat staan jammen. Dit is hetzelfde principe als LPI-radar (§ 5), maar dan toegepast op communicatie.