Elke pulse radar bestaat uit dezelfde functionele blokken:
- Synchronizer (timer): de dirigent. Bepaalt wanneer pulsen worden uitgezonden en levert de tijdreferentie waarmee looptijden (en dus afstanden) worden gemeten.
- Transmitter (zender): wekt de hoogvermogen radiofrequente pulsen op, klassiek met een magnetron of klystron, modern met solid-state versterkers. Piekvermogens lopen van kilowatts tot megawatts.
- Duplexer: de razendsnelle schakelaar die de éne antenne afwisselend met de zender en de ontvanger verbindt — en de gevoelige ontvanger beschermt tegen de eigen zendpuls (die hem anders zou vernietigen).
- Antenne: bundelt de energie tot een smalle bundel, richt die de ruimte in en vangt de echo's weer op. De antenne bepaalt de gain (§ 5.7) en de hoekresolutie (§ 5.17.1).
- Receiver (ontvanger): versterkt de extreem zwakke echo's (orde van picowatts) en zet ze om naar een verwerkbare vorm, met zo min mogelijk toegevoegde ruis.
- Signal processor: het brein. Filtert clutter (MTI/doppler), past pulse compression toe, integreert pulsen, bepaalt de detectiedrempel (CFAR) en vormt uiteindelijk "plots" en "tracks" van doelen.
- Display: presenteert het beeld aan de operator, klassiek als PPI (Plan Position Indicator) — het bekende ronddraaiende radarbeeld met de eigen positie in het midden.
Voor de EW-specialist
Elk blok heeft een tegenhanger in EW: de zender bepaalt wat een ESM-ontvanger kan opvangen (frequentie, PRF, pulsvorm = de "vingerafdruk"), de ontvanger en processor bepalen hoe gevoelig de radar is voor jamming, en de antenne bepaalt via zijn side lobes (§ 5.15.1) waar de radar kwetsbaar is.