Het ECM-arsenaal op één rij, geordend naar wat het aanvalt:
- Noise jamming valt de SNR aan: barrage (breed, dun), spot (smal, dik), swept-spot (om de beurt dik), side lobe (via de achterdeur van de antenne — richtingsinformatie waardeloos).
- Deceptive jamming valt de gates van de tracker aan: RGPO/RGPI (range), VGPO (doppler), inverse gain / cross-eye / cross-pol / blinking (hoek) — en DRFM maakte de leugens coherent en kinematisch kloppend.
- Cover pulses wissen de echte echo in plaats van een valse te bieden — zuinig en onopvallend.
- Decoys (towed, expendable active) verplaatsen de zender wég van het platform en verslaan daarmee home-on-jam en doppler-discriminatie.
- Chaff biedt passief een groter radardoel (λ/2-dipolen) maar wordt verraden door zijn doppler; flares bieden een heter IR-doel maar worden gefilterd op spectrum, kinematica en beeld — beide leven voort als lagen in een pakket.
- DIRCM jamt de IR-seeker rechtstreeks door zijn eigen optiek; stealth ontneemt de sensor zijn signaal aan de bron (vierdemachtswortel!); counter-IR-tactiek ontneemt hem het contrast, de geometrie en de tijd.
Twee rode draden om te onthouden. Eén: elke ECM-techniek exploiteert een aanname van de sensor — en elke EPM-maatregel (volgend hoofdstuk) breekt een aanname van de jammer. Twee: niets werkt alleen; het moderne zelfbeschermingspakket is gelaagd (waarschuwing → manoeuvre → expendables → actieve middelen), en de regie daarover begint bij luisteren: ESM, hoofdstuk 13.